Koppie erbij en gaan!

Dag twee heb ik weinig tot niets van La Paz zelf gezien. Deze dag was er één vol avontuur en spanning. De adrenaline gierde werkelijk door m´n lijf. Ik waagde me vandaag namelijk per mountainbike aan de Death Road! Ik bofte, fiets nummertje 13 was voor mij.

Dat ik momenteel een blog schrijf over deze ervaring betekent in ieder geval dat ik niet in het helse ravijn ben gestort, zoals veel auto´s, bussen en fietsers helaas wel is overkomen. Op deze weg komen jaarlijks zo ongeveer twee- tot driehonderd mensen om het leven. De weg doet zijn naam dus duidelijk eer aan. Op de meest smalle zandwegen moeten bussen, vrachtauto´s en fietsers elkaar passeren. Geen pretje als je een blik naast de weg werpt. Fikse afgronden en maar in enkele bochten een vangrail.

De verkeersregel in Bolivia luidt, naar beneden is rijden aan de linkerkant, ofwel de kant van de afgrond. Welke kant wij opgingen? Uiteraard naar beneden. Daarbij kwam dat het die dag enorm mistig was. Ik kon nog geen vijf meter voor me uitkijken. Erg handig wanneer er zich ineens een scherpe haarspeldbocht in de weg bevindt. Voordeel, ik zag naast de weg alleen een dikke witte waas in plaats van diepe afgronden.

Tijdens de instructie was mijn eerste doel het onderscheiden van de voor- en achterrem. Ik had één keer eerder gemountainbiked in Oostenrijk en had toen per ongeluk de voorremmen te pakken. Na een salto met fiets en al lag ik in de kreukels. Die luchtsalto was misschien spectaculair, vandaag sloeg ik hem liever over.

Het eerste gedeelte van de weg bestond (godzijdank) uit een geasfalteerde weg. Even wennen aan je fiets is geen overbodige luxe. De gidsen adviseerden vooral om zo hard mogelijk te gaan, op die manier kon je het best de fiets leren kennen. Zeker nu de weg nog glad was en niet uit stenen en grind bestond. A ja, ik wist dus al waar ik ten opzichte van de groep wilde fietsen, achteraan. Ik zou die fiets toch zeker wel even op m’n ‘dooie gemakkie’ testen nietwaar?! Nee, niet waar.

Hoewel ik het niet van plan was ging ook ik zo hard naar beneden dat de wind mijn voorzichtige glimlach op mijn gezicht vast printte. Ik begon uiteraard langzaam, maar toen het afremmen bij de eerste bochten goed was gegaan en ik mijn angst voor een mogelijke tweede salto had overwonnen gaf het absoluut een kick om het tempo omhoog te gooien. Ik haalde wat groepsgenoten in maar werd in sommige bochten weer even gruwelijk met mijn neus op de feiten gedrukt. Ik passeerde niet één maar tientallen kruizen. Oké, misschien toch dat tempo weer even iets omlaag Ismae?

death road Tijd voor het tweede gedeelte. De zandweg die is bezaaid met grove stenen en kleine kiezels. Het was inmiddels ook gaan regenen, wat uiteraard leidde tot extra gladde wegen. Even kwam mijn angst weer bovendrijven. ‘Waarom wilde ik dit ook alweer?’, schoot het door mijn hoofd terwijl ik toekeek hoe de gids en eerste groepsgenoten hun weg over de stenen naar beneden baanden. Ik kon niet achterblijven en zette af. Mijn handen verkrampt aan het stuur, bang dat mijn wiel tussen een steen zou belanden en ik een gigantische smack tegen de grond zou maken. Ach, dat dan altijd nog liever dan een ‘sprong’ in het diepe naast de weg.

Ook hier verdween mijn angst. Op een gegeven moment rolde ik lekker naar beneden. In de bochten hield ik over het algemeen in. Heel soms dwaalden mijn gedachten zelfs wat af, hield ik de remmen niet zo nauw meer in de gaten en versnelde mijn tempo. Tot die ene bocht. Ik wilde remmen en bijsturen maar gleed teveel door naar de linkerkant waar ik in een hoop kiezels terecht kwam. Ik zag de vangrail op me afkomen. Vlak voordat ik de haarspeldbocht inging, kreeg ik het voor elkaar voldoende bij te sturen. Helaas niet genoeg om onopgemerkt te blijven. Ik schaafde klungelig langs de vangrail, maar bleef wel overeind.

dr1Na mezelf in gedachten een flinke preek te hebben gegeven was het een kwestie van ‘koppie erbij’. Ik wilde continue controle over mijn fiets en vertraagde mijn tempo voor de zekerheid toch iets. Tot het eind van de route heb ik (op fotostopmomenten na)geen ander uitzicht meer gezien dan de hobbelige weg vlak voor mijn fiets. FOCUS! Het eind van de weg was een stuk vlakke weg, en dat heb ik geweten ook. De gids kwam verschillende keren naast me fietsen: ‘Jij komt toch uit Nederland? Waar is dat talent! Als iemand ervaring heeft met vlakke wegen, dan ben jij het!’  Hoewel ik best vermoeid was, wilde ik me niet laten kennen en besloot er een tandje bij te doen. Moe, maar voldaan kwam ik aan bij de eindstreep.

Niet dat het die dag gedaan was met de hobbelige wegen. Eenmaal terug in mijn hostel moest ik als de sodemieter mijn spullen uit de bagage-opslag halen en door naar de bus-terminal waar mijn nachtbus naar Uyuni zou vertrekken. Uiteraard had ik me eerder die dag al druk gemaakt over het feit of ik deze bus überhaupt wel zou halen (niet zozeer vanwege mijn tocht over de Death Road, het was meer het korte tijdsbestek tussen de trip en het vertrek van de bus). Een typische Ismae-kwaal dus, mezelf bij voorbaat al druk maken. Uiteindelijk was er niks aan de hand. De tour en de bus waren pico bello op elkaar afgestemd.

Ik checkte in, ontving mijn bagagebewijs en nam plaats in de nachtbus. Ik had net mijn spullen een beetje geordend, en kostbare spullen in mijn geldbuidel gepropt toen ik de persoon naast mij zijn bagagekaartje zag opbergen. Waar had ik dat ding in godsnaam gelaten? Ik was zo opgelucht geweest dat ik op tijd was, het kantoor van de betreffende busmaatschappij vrijwel meteen had gevonden en mijn bagage had kunnen droppen dat ik even helemaal niet meer had nagedacht waar ik dat kleine, papieren bewijs had weggestopt. Ik bedacht me dat ik in Bolivia was en zo’n papiertje er vast niet heel veel toe zou doen. Ik wist toch zeker welke tas van mij was en wat de code van het slotje op die tas was.

Helaas, nadat ik dit geval had aangekaart bij de organisator moest ik met hem mee de bus uit. Ai! Na al mijn zakken nog een keer tevergeefs gecontroleerd te hebben moest ik met hem meelopen naar boven, waar zich het kantoor bevond. Hij snelde zich naar de balie. Bezorgd keek ik in het rond. Op tafel lag een papiertje. Ik liep erheen. Hebbes! Ik zwaaide met het kaartje in de richting van de organisator.

Vamos! Ja, jullie raden het al, de bus vertrok dus iets later door van Gils, het zal ook eens niet.  De volgende morgen kwam ik door elkaar gehusseld, gebroken en met spierpijn in mijn armen (ongetwijfeld door die gespannen fietshouding) aan in Uyuni.

Laat die driedaagse tour over de zoutvlakten maar beginnen!

Tweet about this on Twitter
Twitter
Pin on Pinterest
Pinterest
Share on LinkedIn
Linkedin
Share on Facebook
Facebook

It's only fair to share...